
Rijlesondersteuning - bij afstellen van de zithouding en stuurhouding:
1. Stel de bestuurdersstoel zó af, dat je goede steun hebt in je rug en aan de bovenbenen. Zowel je armen als je benen zijn hierbij licht gebogen, zodat je een goede controle hebt over het stuur en over de koppeling van de auto. Door een juiste houding houd je voldoende controle over het stuurgedrag van de auto en raakt minder snel vermoeid.
2. Houd je handen losjes op / aan het stuur, op de positie ”kwart voor drie” - ” tien voor twee”. Houd je handen indien mogelijk buiten de plaatsing van de airbag die centraal in het stuur aangebracht is. Dit is de meest ideale houding, in het bijzonder om goed te kunnen reageren op onverwachte verkeerssituaties.
3. Zowel de bestuurdersstoel als het stuur zijn veelal zowel in de hoogte als in de diepte te verstellen, zodat voor
eenieder een ideale en juiste zitpositie in te stellen is.
Terug naar overzicht (rijles ondersteuning)
Rijlesondersteuning - bij afstellen van de spiegels en de autogordel:
1. De spiegels stel je altijd af na de zithouding en voordat je gaat rijden. Raak bij het afstellen van de spiegels het spiegelglas niet aan met de vingers en gebruik beide handen voor het afstellen van de binnenspiegel (deze zit slechts verlijmd aan de voorruit).
2. Bij het (elektrisch) afstellen van de linkerbuitenspiegel moet de (denkbeeldige) horizon voor driekwart in de spiegel zichtbaar zijn; de zijkant van de auto mag hierbij nog voor een klein deel in de linkerbuitenspiegel zichtbaar blijven.
Op deze wijze heb je het meeste zicht schuin links van de auto, en een gedeelte achter de auto.
3. Bij het (elektrisch) afstellen van de rechterbuitenspiegel moet de (denkbeeldige) horizon voor driekwart in de spiegel zichtbaar zijn; de zijkant van de auto mag hierbij nog voor een klein deel in de rechterbuitenspiegel zichtbaar blijven. Op deze wijze heb je het meeste zicht schuin rechts van de auto, en een gedeelte achter de auto.
4. Het verticale midden van de binnenspiegel stel je af op het verticale midden van de achterruit. (ongeveer hart op hart). Op deze wijze heb je het meeste zicht op datgene wat zich achter de auto afspeelt.
5. Trek nu de autogordel rustig aan met de rechterhand en vergrendel de autogordel rechts naast de bestuurdersstoel. De klik (vergrendeling) moet hierbij hoorbaar zijn.
6. Controleer de autogordel op een goede werking met de rechterhand, door hier -op borsthoogte- een kort rukje aan te geven. Bij een goede werking zal deze dan met een klik blokkeren.
7. Let op het gebruik van de autogordel bij eventuele passagiers; ook al is dit veelal de verantwoording van de persoon zelf.
8. Na de rit: ontgrendel de autogordel door de rode knop met de rechterhand in te drukken en begeleid de gordel bij het oprollen met de linkerhand, zodat deze niet tegen de zijruit schiet, goed oprolt en niet verdraaid.
Terug naar overzicht (rijles ondersteuning)