Rijlesondersteuning – Berijden van en Inhalen op de Autosnelweg:

Rijdend op de autosnelweg houd je zoveel mogelijk een constante snelheid aan, maar let daarbij wel op de maximum toegestane snelheid. Eventueel vertragen (voet van het gas) of versnellen, doe je zo geleidelijk mogelijk. Door dit gedrag bevorder je een rustig verkeersbeeld.


1. Afwisselend kijk je actief en ver voor je uit; zover als mogelijk, maar minimaal vier auto’s. Fixeer je blik niet op een rechte lijn vóór de auto, maar maak je blik breed. Bij een brede blik ben je jezelf ook bewust van je omgeving en kun je beter op onverwachte situaties reageren.


2. Kijk ook geregeld in de binnenspiegel, buitenspiegel(s) en naast de auto. Iedere 5 á 8 seconden is de regel, maar laat dit ook afhangen van de (on)rust en drukte op de weg.


3. Denk bij een brede blik aan: de vluchtstrook, deel van de berm, invoegstrook, uitrijstrook, maar ook de omgeving.
Denk bij onverwachte situaties aan: plotseling snelheid minderen of remmen voor je, roekeloos gedrag van anderen, mistbanken, regen, gladheid, wegwerkzaamheden enz. Pas je gedrag en de snelheid van de auto aan, aan de - wisselende- omstandigheden.


4. Houd voldoende volgafstand aan ten opzichte van je voorligger. De veel geuite regel is de 2-seconden-regel. Maar…3 á 4 seconden geven je veel meer tijd om te handelen op. onverwachte situaties. Zolang je het overige verkeer niet hindert, mag en kan dit !


5. Om de volgafstand te bepalen, kijk je wanneer je voorligger langs een statisch object rijdt (lantaarnpaal, hectometerpaaltje, verkeersbord) en telt rustig de seconden. Het moment dat jij datzelfde object passeert bepaalt je volgafstand in seconden.


6. Bij het inhalen op de autosnelweg pas je dezelfde kijktechniek en handelen toe als bij het invoegen (punt 3 en 4). Schat de snelheid van achteropkomende bestuurders goed in, zodat je deze niet hindert en stuur geleidelijk en vloeiend naar de linker rijstrook. Bij inhalen zal je veelal (enigszins) versnellen; laat de snelheid tijdens het kijken en wachten op de gelegenheid om in te halen niet zakken. Bij wisselen van rijstrook voer je een bijzondere manoeuvre uit, waarbij je al het overige verkeer vóór moet laten gaan.


7. Plaats op de weg is rechts ! Dit betekent dat je ná je inhaalactie weer naar de rechterrijstrook gaat, als dit logisch is binnen het verkeersbeeld. Je schuift rustig en vloeiend naar rechts, zodra dit veilig kan. Voordat je naar rechts opschuift, kijk je eerst in de binnenspiegel en in het verlengde van je rechterschouder naast de auto om te beoordelen of het kan. Denk ook aan de dode hoek!


8. Bij het terugsturen naar de rechterrijstrook hinder je de ingehaalde voertuigen niet. Stuur naar rechts zodra je het ingehaalde voertuig in je binnenspiegel ziet, of zodra deze in de rechterbuitenspiegel zichtbaar is (is wat eerder) Hiermee voorkom je schrikreacties van de ingehaalde bestuurder.

 

Terug naar overzicht (rijles ondersteuning)